Menu

Recreatiegebied De Potten (Sneek) (10-06-2019)

Sinds enkele jaren houdt de Paddenstoelen Werkgroep Friesland het merendeel van haar excursies in gebieden waar nog relatief weinig soorten paddenstoelen bekend zijn, maar waar theoretisch veel soorten verwacht kunnen worden. Ook het recreatiegebied De Potten bij Sneek behoort bij deze gebieden. Het recreatiegebied rondom de voormalige zandwitput is erg gevarieerd, met bosschages, grasvelden en oevers. Weliswaar waren in het betreffende kilometerhok (177-560) al een honderdtal soorten genoteerd, maar korstzwammen en ascomyceten waren afwezig. Dus, het leek zeker mogelijk om tijdens de voorjaarsexcursie op 25 mei voor dit gebied een groot aantal nieuwe soorten te ontdekken.

Omdat het in de voorafgaande weken nauwelijks geregend had, waren in eerste instantie de verwachtingen gematigd. Een goede indicatie voor het verloop van een excursie is het parkeerterrein. Als rondom het parkeerterrein al soorten staan, kan met een gerust hart de excursie begonnen worden. Voor deze excursie zorgden enkele exemplaren van de bleke franjehoed (Psathyrella candolleana) voor het goede begin.

zadelzwam, loodgrijze bovist en gazonvlekplaat (©Sjoerd Greydanus)
zadelzwam, loodgrijze bovist en gazonvlekplaat
(©Sjoerd Greydanus)

Door de dichte onderbegroeiing waren de bosschages niet echt toegankelijk, maar afgevallen takken aan de randen leverden al snel enkele nieuwe soorten voor het gebied, zoals de vlakke essenkogelzwam (Hypoxylon petriniae), de donzige korstzwam (Cylindrobasidium laeve), de berijpte schorszwam (Peniophora lycii) en het berkenschorsschijfje (Berkeschorsschijfje). Op plekken waar was uitgedund, groeide op talloze stronken de zadelzwam (Polyporus squamosus).

Gelukkig groeiden in de plantsoenen ook nog verschillende soorten paddenstoelen die door uitdrogingen of veroudering niet altijd even gemakkelijk herkenbaar waren. Van de loodgrijze bovist (Bovista plumbea) was de buitenzijde al opengebroken, maar het was nog niet geheel duidelijk of de binnenzijde uiteindelijk naar grijs of zwart zou verkleuren. Maar microscopisch verschilt de loodgrijze bovist ook van de zwartwordende bovist (Bovista nigrescens). Ook de vroege leemhoed (Agrocybe praecox) en het voorjaarsbreeksteeltje (Pholiotina aporos) moesten microscopisch gecontroleerd worden, omdat ze beide hun kenmerkende ring op de steel kwijt waren. De gazonvlekplaat (Panaeolina foenisecii) daarentegen blijft meestal duidelijk herkenbaar doordat bij opdrogen de rand van de hoed donker blijft.

lisdoddespleetlip(©Gosse Haga)
lisdoddespleetlip (©Gosse Haga)

Langs de oevers van het recreatiemeer was het zonder twijfel nog vochtig en nat, en dus werden de nog half in het water liggende plantenresten goed bekeken.

Op bladeren van lisdodde leverde dit een eerste vondst van Friesland op. De lisdoddespleetlip (Lophodermium typhinum) is waarschijnlijk een algemene soort die overal op rottende bladeren van lisdoddes groeit, maar de lastige groeiplek houdt deze soort zeldzaam.

Op riet groeiden het rietfranjekelkje (Lachnum controversum) en het rietstippelkogeltje (Lophiostoma arundinaceum). Ook de laatste soort was nog niet eerder in Friesland gemeld.

In totaal werden 31 soorten gevonden, waarvan twintig nog niet eerder in het gebied waren aangetroffen. Enkele waargenomen soorten waren:

Park Vijversburg (Tytsjerk) (25-11-2018)

De langdurige droogte bleek funest te zijn voor het wasplatenreservaat. Door een totaal ontbreken van paddenstoelen moest de geplande excursie naar de Rotstergaasterwallen dan ook afgelast worden. Als alternatief werd het park Vijversburg uitgekozen. In het park zijn al ruim driehonderd soorten bekend, en de kans op paddenstoelen leek hier dan ook groter. Toch, ook in Vijversburg moest nog goed gezocht worden, wat uiteindelijk een zeventigtal soorten opleverde. Opvallend was, dat het alleen algemene tot zeer algemene soorten waren. Kennelijk zijn deze soorten ook zo algemeen omdat ze goed bestand zijn tegen het afwisselende Nederlandse klimaat.

bruinsnedemycena, kleine stinkzwam en gewone franjezwam (©Sjoerd Greydanus)
bruinsnedemycena, kleine stinkzwam en gewone franjezwam
(©Sjoerd Greydanus)

Voor de bruinsnedemycena (Mycena olivaceomarginata) leken de omstandigheden ideaal om tot uitbundige bloei te komen. Deze in gras groeiende paddenstoel werd door het gehele park aangetroffen. Als ze met zovelen staan, kan men zich een goed beeld vormen van de variatie in grootte en bruin- en grijstinten. De enige constante factor lijkt dan de bruingekleurde lamelsnede te zijn, maar zelfs deze kan variëren in intensiteit, van een vaag geelbruin tot een scherp afstekende bruintint.

Langs één van de wandelpaden was onder het bladerdek een kleine stinkzwam (Mutinus caninus) verborgen. Vaak staat deze stinkzwam in groepjes bij elkaar. Hij ruikt minder sterk dan zijn broer, de grote stinkzwam, maar de zwakke geur compenseert hij dan weer met een mooie oranje kleur. De gewone franjezwam stond daarentegen op het een open gedeelte van het pad. Deze franjezwam is erg variabel in zijn vorm. Meestal zijn de vruchtlichamen vlak uitgespreid en vormen ze tiental centimeter brede plakkaten, maar nu stonden de kleine vruchtlichamen nog in toefjes bij elkaar.

Veel paddenstoelen waren al sterk verouderd, maar gelukkig werden ook enkele jonge, kleurrijke soorten gezien. De vliegenzwam (Amanita muscaria) is en blijft één van de mooiste paddenstoelen in Nederland, zeker als hij nog de felrode kleur heeft en de hoed bedekt is met de pyramidevormige schubjes. Ook de rupsendoder (Cordyceps militaris) valt met zijn oranje kleur vaak snel op.

vliegenzwam en rupsendoder (©Sjoerd Greydanus)
vliegenzwam en rupsendoder
(©Sjoerd Greydanus)

Omdat grote paddenstoelen ontbraken, is er automatisch meer aandacht voor het kleine grut. Daardoor werden toch weer nieuwe soorten voor het park gevonden. Zo werden afgevallen beukenbladeren verteerd door de tengere beukentaailing (Marasmius setosus) en de kleine beukenbladmycena (Mycena capillaris). Ook het klein oorzwammetje (Crepidotus epibryus) dat op plantenresten groeit, was nieuw voor het park.

Enkele waargenomen soorten waren:

Fogelsanghstate (Veenklooster) (04-11-2018)

Op een mooie herfstdag had een grote groep zich op het parkeerterrein van de Fogelsanghstate verzameld. Het is natuurlijk een inspirerende start van een excursie, als je uit de auto stapt en direct al fraaie, relatief forse paddenstoelen ziet. Onder eiken aan de rand van het parkeerterrein stonden het schaapje (Lactifluus vellereus) en grofplaatrussula's (Russula nigricans), met op hun wegrottende hoeden de poederzwamgast (Asterophora lycoperdoides). Drie soorten als proloog van een excursie die uiteindelijk 72 soorten zou opleveren.

schaapje en poederzwamgast (©Sjoerd Greydanus & Bregtje Miedema)
schaapje en poederzwamgast
(©Sjoerd Greydanus (links) en Bregtje Miedema (rechts))

Het Veenkloosterbos is in 1840 aangelegd, maar sommige lanen zijn nog ouder. Het Veenkloosterbos kenmerkt zich door een grote variëteit aan bomen waarvan sommige eiken al ouder zijn dan 200 jaar. Ook bevinden zich enkele kolossale beuken in het park. Diversiteit in soorten en ouderdom levert vaak een diversiteit aan mycorrhiza-soorten op. Tijdens deze excursie hoefden we dan ook geen grote afstanden af te leggen om een groot aantal mycorrhiza-soorten te vinden:

  • de grote vaalhoed (Hebeloma sinapizans) groeit voornamelijk onder eiken en beuken. Tijdens deze excursie was hij de enige voorkomende soort van de vaalhoeden;
  • zoals de naam al zegt heeft de vissige eikenrussula (Russula graveolens) een voorkeur voor eiken. Deze soort stond vrij massaal in een door eiken omzoomd plantsoen;
  • de paarssteelvezelkop (Inocybe pusio) is in Friesland een vrij zeldzame soort. Deze soort is slecht nog een tiental keer in Friesland gemeld.

Het was ook duidelijk, dat (sommige) beuken het moeilijk hebben in het Veenkloosterbos. Aan de voet van enkele beuken groeide de reuzenzwam (Meripulus giganteus), en de porseleinzwam (Oudemansiella mucida) had zich hoog in de top van een beuk genesteld. Omdat de knolhoningzwam (Armillaria lutea) op ondergronds hout groeit, was het niet duidelijk of deze soort een plek op dode wortels van beuk had gevonden.

Naast bomen kunnen paddenstoelen ook insecten aantasten. De bepoederde rupsendoder (Isaria farinosa) werd talloze malen gevonden. Deze komt vooral onder eiken voor, en lijkt zich graag goed te doen aan de poppen van de eikenspanner. Verder werd nog een soort insectendoder op een keverachtige soort gevonden.

vissige eikenrussula, knolhoningzwam en isaria-achtige soort (©Henk Dijkstra & Sjoerd Greydanus)
vissige eikenrussula, knolhonigzwam en soort insectendoder
(©Henk Dijkstra (links,rechts) en Sjoerd Greyanus (midden))

Dankzij het vele dode hout en de afgestorven planten was deze excursie ook aan rijk aan korstzwammen en strooiselafbrekers. Het anamorfe stadium van het priemharig korstje (Subulicystidium longisporum) vormt kleine bolletjes en lijkt daarmee sterk op de korreltjeszwam. Onder de microscoop zijn al snel de priemvormige cystiden van de eerste soort te zien. Het priemharig korstje is in Friesland zeer zeldzaam.

Nog zeldzamer is het dwerggoudbolletje (Oligonema schweinitzii). Als de bolvormige klompjes werkelijk goud geweest zouden zijn, was er waarschijnlijk een goudkoorts naar Friesland losgebarsten. Deze slijmzwam is in Nederland nog geen tien keer gemeld, en tijdens de excursie is deze soort voor de eerste keer in Friesland gevonden.

De varenmycena (Mycena pterigena) werd voor de tweede keer in Friesland gevonden. Deze zachtroze mycena kenmerkt zich door een felgekleurde roodachtige lamelsnede. Hij groeit op afgestorven stengels van varens. Mogelijk wordt hij vaker gevonden, als men gericht op stengels van afgestorven varens gaat zoeken. Tot nu toe is het sneupen in varens nog niet tot een vast ritueel tijdens excursies geweest.

priemharig korstje (anamorf), dwerggoudbolletje en de varenmycena (©Bregtje Miedema en Sjoerd Greydanus)
priemharig korstje (anamorf), dwerggoudbolletje en de varenmycena
(©Bregtje Miedema (links,midden) en Sjoerd Greydanus (rechts))

Enkele waargenomen soorten...