Menu

Ritskebos (Burgum) - 28 september 2019 (06-11-2019)

Dankzij de vele neerslag en de relatief hoge temperaturen was al duidelijk geworden, dat het voor de paddenstoelen eindelijk weer eens een goede herfst was. De werkgroepleden waren op 28 september 2019 dan ook bij voorbaat erg enthousiast voor de excursie naar het Ritskebos, dat nog nooit op het excursie-programma had gestaan.

gezoneerde stekelzwam, dwerghertenzwam en kortstelige veldridderzwam (©Sjoerd Greydanus)
gezoneerde stekelzwam, dwerghertenzwam en kortstelige veldridderzwam
(©Sjoerd Greydanus)

De excursie begon direct goed langs de berm van de Ritskeloane, en ook langs het schelpenpad bleek het rijk aan paddenstoelen te zijn. De excursie leverde uiteindelijk 75 soorten op waarvan twee nieuw voor Friesland.

De berm van de Ritskeloane bleek een goede voedingsbodem te zijn voor talloze schaapjes (Lactifluus vellereus), gewone eekhoorntjesbroden (Boletus edulis) en panteramanieten (Amanita pantherina). Ook de gezoneerde stekelzwam (Hydnellum concrescens) had in de berm een plekje gevonden.

Tussen al deze forse paddenstoelen werd ook een klein bekerzwammetje ontdekt, slechts enkele centimeters in doorsnede. Het leek enigszins op de kleine bruine bekerzwam, maar het was niet alleen kleiner, maar ook minder dicht met bruine haren bezet. Na microscopisch onderzoek werd al snel duidelijk, dat de kleine bruine bekerzwam inderdaad een dubbelganger heeft, namelijk de afgeplatte grondbekerzwam (Geopora tenuis). De afgeplatte grondbekerzwam was nog niet eerder in Friesland gemeld.

Hoewel de gekraagde aardster (Geastrum triplex) geen zeldzaamheid is, is het toch altijd bijzonder de typische tulpenbollen te vinden, het beginstadium van deze fraaie aardster. De kortstelige veldridderzwam (Melanoleuca brevipes) had zich wat meer tussen de bramen verborgen. Even later werd nog de zwartwitte veldridderzwam (Melanoleuca polioleuca) gevonden.

Op stukjes hout stond massaal het wieltje (Marasmius rotula), in gezelschap van de dwerghertezwam (Pluteus nanus).

elfenschermpje en schijfsteelmycena (©Sjoerd Greydanus)
elfenschermpje en schijfsteelmycena
(©Sjoerd Greydanus)

De roze mycena's kunnen nog wel eens discussie opleveren, omdat er enkele soorten zijn die sterk op elkaar lijken. Meestal richt de discussie zich dan op het gewoon elfenschermpje (Mycena pura) en het heksenschermpje (Mycena rosea). Met name het elfenschermpje is een zeer variabele soort. Toch zijn er op het oog enkele verschillen: het heksemschermpje oogt als een vrij plompe paddenstoel, omdat de verhouding tussen de steel en de hoed niet groter is dan anderhalf. Bovendien loopt de steel van het heksenschermpje vanaf de basis sterk taps toe naar de top. De exemplaren in het Ritskebos waren duidelijk slank, zonder een slanke steeltop en een sterk verbrede steelvoet. Duidelijk was, dat het dus om het elfenschermpje ging.

De schijfsteelmycena (Mycena stylobates) daarentegen lijkt in zijn verse vorm bijna onmiskenbaar. De kleine witte mycena heeft een relatief stevige schijf aan de steel.

Tussen het mos werden op twee verschillende plekken kleine oranje bekerzwammetjes gevonden. Omdat er meerdere oranje soorten zijn die op mos groeien, moesten de schijfjes mee worden genomen voor microscopisch onderzoek. Het schijfje bleek prachtige, ronde en met oliedruppels gevulde sporen te hebben, met een gemiddelde doorsnede van 17 µm, kenmerken die precies passen bij het groot moskussentje (Pulvinula convexella).

Het groot moskussentje komt volgens de literatuur vooral langs schelpenpaden voor. Helaas zijn de schelpenpaden in Nederland langzamerhand door asfalt vervangen, maar door het Ritskebos is nog een schelpenpad aangelegd, wat onmiddellijk zeldzame paddenstoelen oplevert.

In het veld zijn natuurlijk niet alle paddenstoelen direct te benoemen. Bij determinatie van de vele korstzwammen bleek er een nieuwe soort voor Friesland meegenomen te zijn. Het roestgeel rouwkorstje (Tomentella bryophila) is een zeldzame soort die een voorkeur lijkt te hebben voor een enigszins basisch milieu. Mogelijk dat het schelpenpad ook voor deze soort van belang is.

groot moskussentje (©Sjoerd Greydanus)
groot moskussentje
(©Sjoerd Greydanus)

Recreatiegebied De Potten (Sneek) (10-06-2019)

Sinds enkele jaren houdt de Paddenstoelen Werkgroep Friesland het merendeel van haar excursies in gebieden waar nog relatief weinig soorten paddenstoelen bekend zijn, maar waar theoretisch veel soorten verwacht kunnen worden. Ook het recreatiegebied De Potten bij Sneek behoort bij deze gebieden. Het recreatiegebied rondom de voormalige zandwitput is erg gevarieerd, met bosschages, grasvelden en oevers. Weliswaar waren in het betreffende kilometerhok (177-560) al een honderdtal soorten genoteerd, maar korstzwammen en ascomyceten waren afwezig. Dus, het leek zeker mogelijk om tijdens de voorjaarsexcursie op 25 mei voor dit gebied een groot aantal nieuwe soorten te ontdekken.

Omdat het in de voorafgaande weken nauwelijks geregend had, waren in eerste instantie de verwachtingen gematigd. Een goede indicatie voor het verloop van een excursie is het parkeerterrein. Als rondom het parkeerterrein al soorten staan, kan met een gerust hart de excursie begonnen worden. Voor deze excursie zorgden enkele exemplaren van de bleke franjehoed (Psathyrella candolleana) voor het goede begin.

zadelzwam, loodgrijze bovist en gazonvlekplaat (©Sjoerd Greydanus)
zadelzwam, loodgrijze bovist en gazonvlekplaat
(©Sjoerd Greydanus)

Door de dichte onderbegroeiing waren de bosschages niet echt toegankelijk, maar afgevallen takken aan de randen leverden al snel enkele nieuwe soorten voor het gebied, zoals de vlakke essenkogelzwam (Hypoxylon petriniae), de donzige korstzwam (Cylindrobasidium laeve), de berijpte schorszwam (Peniophora lycii) en het berkenschorsschijfje (Berkeschorsschijfje). Op plekken waar was uitgedund, groeide op talloze stronken de zadelzwam (Polyporus squamosus).

Gelukkig groeiden in de plantsoenen ook nog verschillende soorten paddenstoelen die door uitdrogingen of veroudering niet altijd even gemakkelijk herkenbaar waren. Van de loodgrijze bovist (Bovista plumbea) was de buitenzijde al opengebroken, maar het was nog niet geheel duidelijk of de binnenzijde uiteindelijk naar grijs of zwart zou verkleuren. Maar microscopisch verschilt de loodgrijze bovist ook van de zwartwordende bovist (Bovista nigrescens). Ook de vroege leemhoed (Agrocybe praecox) en het voorjaarsbreeksteeltje (Pholiotina aporos) moesten microscopisch gecontroleerd worden, omdat ze beide hun kenmerkende ring op de steel kwijt waren. De gazonvlekplaat (Panaeolina foenisecii) daarentegen blijft meestal duidelijk herkenbaar doordat bij opdrogen de rand van de hoed donker blijft.

lisdoddespleetlip(©Gosse Haga)
lisdoddespleetlip (©Gosse Haga)

Langs de oevers van het recreatiemeer was het zonder twijfel nog vochtig en nat, en dus werden de nog half in het water liggende plantenresten goed bekeken.

Op bladeren van lisdodde leverde dit een eerste vondst van Friesland op. De lisdoddespleetlip (Lophodermium typhinum) is waarschijnlijk een algemene soort die overal op rottende bladeren van lisdoddes groeit, maar de lastige groeiplek houdt deze soort zeldzaam.

Op riet groeiden het rietfranjekelkje (Lachnum controversum) en het rietstippelkogeltje (Lophiostoma arundinaceum). Ook de laatste soort was nog niet eerder in Friesland gemeld.

In totaal werden 31 soorten gevonden, waarvan twintig nog niet eerder in het gebied waren aangetroffen. Enkele waargenomen soorten waren:

Park Vijversburg (Tytsjerk) (25-11-2018)

De langdurige droogte bleek funest te zijn voor het wasplatenreservaat. Door een totaal ontbreken van paddenstoelen moest de geplande excursie naar de Rotstergaasterwallen dan ook afgelast worden. Als alternatief werd het park Vijversburg uitgekozen. In het park zijn al ruim driehonderd soorten bekend, en de kans op paddenstoelen leek hier dan ook groter. Toch, ook in Vijversburg moest nog goed gezocht worden, wat uiteindelijk een zeventigtal soorten opleverde. Opvallend was, dat het alleen algemene tot zeer algemene soorten waren. Kennelijk zijn deze soorten ook zo algemeen omdat ze goed bestand zijn tegen het afwisselende Nederlandse klimaat.

bruinsnedemycena, kleine stinkzwam en gewone franjezwam (©Sjoerd Greydanus)
bruinsnedemycena, kleine stinkzwam en gewone franjezwam
(©Sjoerd Greydanus)

Voor de bruinsnedemycena (Mycena olivaceomarginata) leken de omstandigheden ideaal om tot uitbundige bloei te komen. Deze in gras groeiende paddenstoel werd door het gehele park aangetroffen. Als ze met zovelen staan, kan men zich een goed beeld vormen van de variatie in grootte en bruin- en grijstinten. De enige constante factor lijkt dan de bruingekleurde lamelsnede te zijn, maar zelfs deze kan variëren in intensiteit, van een vaag geelbruin tot een scherp afstekende bruintint.

Langs één van de wandelpaden was onder het bladerdek een kleine stinkzwam (Mutinus caninus) verborgen. Vaak staat deze stinkzwam in groepjes bij elkaar. Hij ruikt minder sterk dan zijn broer, de grote stinkzwam, maar de zwakke geur compenseert hij dan weer met een mooie oranje kleur. De gewone franjezwam stond daarentegen op het een open gedeelte van het pad. Deze franjezwam is erg variabel in zijn vorm. Meestal zijn de vruchtlichamen vlak uitgespreid en vormen ze tiental centimeter brede plakkaten, maar nu stonden de kleine vruchtlichamen nog in toefjes bij elkaar.

Veel paddenstoelen waren al sterk verouderd, maar gelukkig werden ook enkele jonge, kleurrijke soorten gezien. De vliegenzwam (Amanita muscaria) is en blijft één van de mooiste paddenstoelen in Nederland, zeker als hij nog de felrode kleur heeft en de hoed bedekt is met de pyramidevormige schubjes. Ook de rupsendoder (Cordyceps militaris) valt met zijn oranje kleur vaak snel op.

vliegenzwam en rupsendoder (©Sjoerd Greydanus)
vliegenzwam en rupsendoder
(©Sjoerd Greydanus)

Omdat grote paddenstoelen ontbraken, is er automatisch meer aandacht voor het kleine grut. Daardoor werden toch weer nieuwe soorten voor het park gevonden. Zo werden afgevallen beukenbladeren verteerd door de tengere beukentaailing (Marasmius setosus) en de kleine beukenbladmycena (Mycena capillaris). Ook het klein oorzwammetje (Crepidotus epibryus) dat op plantenresten groeit, was nieuw voor het park.

Enkele waargenomen soorten waren: